CORNELIA BRINKMAN EN ADRIAAN ROLAND HOLST

In 1946 raakte Cornelia Brinkman in correspondentie met de dichter-schrijver Adriaan Roland Holst (hierna: ARH), wiens werk haar in die tijd bijzonder sterk aansprak ("Het werd haast een soort religie voor me", zo formuleerde zij het later zelf).

Zij bezocht hem enkele malen in Bergen (voor het eerst op 31 oktober 1948), en hij haar in Leiden. Hij was enthousiast over haar gedichten en door zijn bemiddeling werd een aantal ervan opgenomen in literaire tijdschriften (zie de pagina Gedichten). Ook was het op zijn aanraden dat zij enige tijd op De Pauwhof verbleef, een landhuis in Wassenaar waar kunstenaars zich ongestoord aan hun werk konden wijden.

In totaal schreef ARH haar 30 brieven, die alle bewaard zijn gebleven. Hieronder volgen enkele fragmenten uit deze collectie brieven.

Brief van ARH aan CB, d.d. 27 december 1947.
Fragment, n.a.v. een gedicht dat zij speciaal voor hem had geschreven (en dat nog niet op deze website te lezen is):



"Daarnet brengt de post mij door storm en regen uw gedicht, dat mij zéér heeft getroffen.... niet alleen omdat ik er mijzelf in ontmoet, maar ook als gedicht."


Brief van ARH aan CB, d.d. 15 december 1948.
Fragment, over haar gedicht Visioen van een invalide schilderes:



"Dat 2e gedichtje (over die schilderes) vind ik heel goed. Mag ik probeeren, het ergens geplaatst te krijgen?"

Brief van ARH aan CB, d.d. 27 februari 1949.
Fragment, over haar gedicht De Kunstenaar:



"Eigenlijk moet ik beginnen met je vergeving te vragen - nee, niet om dezen zoo laten en dan nog haastigen brief (dát soort excuses geef ik maar op!) - maar omdat ik volkomen eigenmachtig omsprong met het laatste gedichtje, dat je mij stuurde. Het trof mij zéér - den volgenden dag liet ik het lezen aan Bert Voeten (een der redacteuren van "Ad Interim") - hij vroeg zeer verbaasd "van wie is dat!?"- Hij wil het graag voor zijn tijdschrift hebben, en verzekerde mij, dat hij er de rest van de redactie niet over hoefde te raadplegen. Ik gaf 't hem toen + jouw naam & adres. Wees nu maar niet boos, en laat je oude vriend (ikke) op deze wijze maar wat met je sollen." (fragment uit brief van 27 februari 1949).

Tweede fragment uit deze brief, over haar decalcomanieën:



"Mag ik je "Inktvlekproducten" nog even houden? Ik heb ervan genoten en ik herhaal dat genot graag nog eens - Wat zijn er wonderlijke resultaten bij! en je hebt een ware gave om in de titels creatief te worden - zoo bijv. "Avondgebed in het jachthuis" en die 2 Booze geesten en het mystieke bruggetje." (tweede fragment uit brief van 27 februari 1949).

Brief van ARH aan CB, dd. 15 maart 1949.
Fragment, over haar gedicht In Memoriam F.L.B.:



"Ik sta op het punt naar A'dam te gaan, maar wil je toch even dezen brief van Victor E. van Vriesland sturen. Ik zond hem n.m. het laatste gedicht, dat ik van je kreeg, omdat het mij bijzonder trof. Hij is een van de redacteuren van "De Nieuwe Stem", en degeen met het beste oordeel over poëzie."

Brief van ARH aan CB, d.d. 1 juni 1949.
Fragment (verdeeld over voor- en achterzijde van brief), over haar gedicht De Waterput:



"(...) vooral "De Waterput" reken ik, zonder voorbehoud, onder het allerbeste van wat ik in langen tijd van onze nieuwe poezie las, zoowel door een bewogenheid, die - en zoo vanzelf - tot haar uiterste gaat, als door de toon, de "aanslag", die diep en helder is als alleen water dat zijn kan."