PRELUDE


Bedompt, vermaledijd, door wanbegrip omsloten,

een lekkend dak, een kaarsvlam, arabesk,

sanctum sanctorum, zwarte zwanen, regengoten,

bedauwde spinnewebben, glinsterend, grotesk.

Daarachter: honingdruppels, wrijving, heilig moeten,

lianen, kronkelpad, baanbrekend creatuur,

slechts drijfzand, klatergoud, beklemmend avontuur,

omstreden bolwerk, vox clamantis, kindervoeten.

"Wanneer dit tijd'lijk leven endt ..."

o droom den dood voorbij, planeten

en sterren, dagelijks vergeten,

ik vleugellamme, droom ontwend,

zeg in den maalstroom ja en amen ...


maar blijf halsstarrig in 't geheim beramen

den weerkeer naar mijn zingend firmament.


                                  * * *

Leiden, 15 februari 1948.

Gepubliceerd in Ad Interim, 6e jaargang, nr. 10, oktober 1949, p.283. In hetzelfde nummer werden ook haar gedichten 'Angèle Degroux' en 'De waterput' gepubliceerd.
De andere bijdragen aan dit nummer zijn van o.a. Gerrit Achterberg, Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog.